Slapen is cruciaal voor het herstel. Waarom is dat dan juist in ziekenhuizen zo slecht geregeld?

Verschenen in De Volkskrant op 4 oktober 2024

Zweten op een plastic matras, piepende apparatuur, te veel licht: in het ziekenhuis slapen veel patiënten beroerd. Waarom levert een plek waar gezondheid vooropstaat zo vaak gebroken nachten op? En: hoe kan het beter?

lles leek uitstekend geregeld. Het zorgpersoneel van het OLVG-ziekenhuis in Amsterdam was aardig en attent. Ik kreeg een hoog bed toegewezen, waarvan ik het hoofd- en voeteneinde met knopjes in elke gewenste stand kon zetten. Kraakschone lakens, een eigen nachtkastje met een fijn boek en als ik iets nodig had, hoefde ik maar op een knop te drukken. Het enige minpuntje van mijn ziekenhuis ten opzichte van een hotel, dacht ik, was dat het personeel hier het mes in me zou zetten.

Na de operatie ontving ik bezoek, ik maakte grapjes, lachte om het feit dat lachen pijn deed en alles was goed. Tot het tijd werd om te slapen.

Iedereen die ooit een of meerdere nachten in een ziekenhuis heeft doorgebracht, weet dat slapen er geen vanzelfsprekendheid is. Toen arts-onderzoeker Eva van den Ende van het Amsterdam UMC in 2017 een onderzoek deed naar de slaapervaringen van ziekenhuispatiënten, schrok ze van de uitkomsten.

Op een februariochtend hadden 2.005 patiënten op 39 locaties vragen beantwoord over de voorgaande nacht. Van hen was meer dan 80 procent minstens één keer wakker geworden door oorzaken buiten henzelf of hun ziekte. Het aantal geslapen uren lag gemiddeld 83 minuten lager dan thuis.

Aangezien de patiënten hun geslapen uren zelf moesten inschatten, is dat cijfer niet keihard, maar de uitkomsten sluiten aan bij latere, grootschalige onderzoeken. Een overzichtsstudie van Amsterdam UMC uit 2022, waarbij in totaal bijna achttienduizend patiënten waren betrokken, toont bijvoorbeeld dat ziekenhuispatiënten gemiddeld bijna twee uur per nacht wakker liggen en over het algemeen slecht slapen.

Wie te weinig slaapt, wordt niet alleen moe en chagrijnig. Spieren en neuronen krijgen onvoldoende kans zich te herstellen en ook het immuunsysteem krijgt een optater. Waarom staat juist het ziekenhuis, bij uitstek een plek waar gezondheid vooropstaat, zo bekend om de gebroken nachten? En wat valt ertegen te doen?

Overgevoelige alarmen

Vergeet de hotelvergelijking. Een slaapzaal in een ziekenhuis, ontdekte ik die nacht, lijkt eerder op een jeugdherberg zonder stapelbedden: er is altijd wel iemand die snurkt. Ik lag bovendien binnen de kortste keren te zweten op het matras, dat van plastic bleek te zijn. Telkens als iemand pijnstillers wenste, moest plassen of om andere redenen een verpleegkundige bij zich riep, werd de hele ruimte verlicht door binnenvallend ganglicht.

Erger dan dat alles, en ook erger dan het geklets en de voetstappen op de gang, was het gepiep van apparaten. Elke patiënt, ik ook, had er een naast zich staan: een gevaarte op wielen waar sondes en allerlei meetapparatuur aan vastzaten. Om de haverklap en onregelmatig, juist op de momenten dat je dreigde in te dommelen, begon zo’n ding dreinend te piepen.

Somnoloog Kristel Kasius van het OLVG is zich bewust van het probleem, maar wijst op een belangrijk dilemma: veiligheid staat een goede nachtrust soms in de weg. ‘Als artsen hechten wij veel waarde aan getallen. Daarom liggen mensen aan apparaten vast die piepen. Het is lastig om dat los te laten voor iets wat niet zo goed meetbaar is.’

De getallen staan voor belangrijke medische informatie. Wanneer een hartslag boven of onder een kritische waarde komt, gaat het alarm af. Hetzelfde gebeurt bij een al te laag zuurstofgehalte in iemands bloed, of het opraken van een infuus. Het is belangrijk dat verpleegkundigen van zulke zaken op de hoogte zijn, zodat ze eventueel in actie kunnen komen. Mij viel vooral op dat ze meestal even binnenkwamen om het alarm weer weg te drukken: niets aan de hand. Alleen lag ik dan weer knarsetandend wakker te zijn.

Volgens de Delftse soundscape-onderzoeker Elif Özcan Vieira staan ziekenhuisalarmen zo gevoelig afgesteld dat actie in negen van de tien gevallen overbodig is. Die gevoeligheid zou de veiligheid ten goede moeten komen, maar zorgmedewerkers ontwikkelen zo ook een zekere ‘alarmmoeheid’: wie negen keer voor niets is komen opdraven, maakt de tiende keer minder haast.

‘De algoritmen van deze apparaten vragen om een limiet. Bijvoorbeeld: het zuurstofgehalte van bloed mag niet onder de 90 procent zijn’, zegt Özcan Vieira. ‘Als de waarde ook maar eventjes 89 is, gaat het alarm dus af – ook al lost het probleem zichzelf op. Een verpleegkundige bekijkt ook de context: hoe is de hartslag, de ademhaling, de temperatuur? Algoritmen nemen die context niet mee.’

In het kader van een Europees onderzoeksproject werkt Özcan Vieira met partners aan slimme alarmsystemen die zulke belangrijke context wel verwerken en alleen afgaan als er echt iets mis is. Maar ook nu al valt er best wat te doen tegen de alarmellende. Bij patiënten die er niet zo slecht aan toe zijn, kunnen ervaren verpleegkundigen de marges bijvoorbeeld soms best oprekken, zegt Özcan Vieira.

Op de intensive care van het Erasmus MC kunnen ze de patiënten door een raam observeren; het alarm is dan in te stellen tot bijna onhoorbaar voor de patiënt. ‘De alarmen kunnen worden doorgestuurd naar een mobiel apparaat van de verpleegkundige’, zegt Özcan Vieira. ‘Dat alarmen altijd geluid moeten maken, komt vooral door de strenge internationale standaarden. Je moet zeker weten dat het alarm bij de verpleegkundige terechtkomt.’

Hoge hakken

Over voetstappen op de gang gesproken. Kasius kan zich nog goed de nachtdiensten van zo’n twintig jaar geleden herinneren. ‘Van mijn supervisoren mocht ik niet op sneakers lopen’, vertelt ze, ‘dus liep ik ’s nachts op hakken.’ Het resulterende geklak op de gang is vandaag de dag wel minder, maar nog altijd staan verplegenden vaak niet stil bij de geluiden die ze maken tijdens de nachtdienst.

Dat vergt een cultuurverandering, zegt Van den Ende, inmiddels huisarts in opleiding. Uit haar onderzoek bleek onder meer dat patiënten veel slaap inleverden doordat ze tussen 5 en 6 uur ’s ochtends wakker werden gemaakt voor medicatie en controles, bijvoorbeeld van de bloeddruk.

‘De controles gebeurden op veel afdelingen aan het einde van de nachtdienst, om de ochtenddienst te ontlasten. Zo was de informatie beschikbaar als de artsen op de afdeling kwamen. Dat is logisch om te doen vanuit het perspectief van het personeel, maar minder vriendelijk voor een patiënt die al de hele nacht moeite heeft gehad om in slaap te komen.’

Mede dankzij vervolgonderzoek is dit op veel ziekenhuisafdelingen inmiddels aangepast.

De patiënt centraler

Ook andere ingesleten routines en logistieke besluiten botsen soms met de slaapbehoeften van patiënten. Het geven van plasmedicatie tegen het einde van de dag, een infuuszak vervangen op het moment dat de patiënt net is ingedut, of 24 uur lang vocht toedienen met nachtelijke plasdrang tot gevolg, somt Van den Ende op. ‘Soms is het nodig, maar je moet wel kritisch nadenken. In gezonde toestand ben je natuurlijk ’s nachts niet aan het drinken.’

Lange tijd stonden in ziekenhuizen niet de patiënten centraal, maar de lichamelijke kwalen die hen er deden belanden. Al het andere werd daaraan ondergeschikt gemaakt, zegt hoogleraar interne geneeskunde Prabath Nanayakkara van het Amsterdam UMC.

‘De patiënt had een probleem, wij gaven een somatische oplossing en dan plaatsten we de patiënt weer terug. In het ziekenhuis zijn we steeds beter geworden in het behandelen van de ingewikkeldste ziekten, maar daarmee zijn we ook slechter geworden in het behandelen van patiënten.’

Internationaal verschuift de focus nu langzaam richting de behoeften van patiënten. In het Amsterdam UMC proberen ze aan te sluiten bij die trend, onder meer door ook oog te hebben voor wat nodig is op het gebied van slaap. Dat vergt soms een behoorlijke omslag.

‘Tijdens het slaaponderzoek van 2017 zeiden patiënten dat ze zweetten op de matrassen’, zegt Nanayakkara. ‘De plastic matrassen waren vooral geselecteerd om in de wasstraat te passen. Toen we een paar jaar later nieuwe matrassen wilden kopen, zei het hoofd: nee, ik ga er eerst een paar bestellen en aan de patiënten vragen welke ze goed vinden. Dat was een heel nieuwe manier van denken.’

Arts-onderzoeker en promovenda Carlijn de Gans werkt momenteel aan een project om die denkwijze te verankeren in de werkcultuur van het ziekenhuis. Het verpleegkundig personeel krijgt les in het belang van slaap en leert hoe kleine gedragsveranderingen – het licht dimmen op de gang, zacht praten in de nacht – een groot verschil kunnen maken. Patiënten krijgen slaaphygiënefolders, oordopjes en slaapmaskers.

Extra alert

Een hotelervaring zal het ziekenhuis nooit bieden, denkt Özcan Vieira van de TU Delft. Daarvoor is het verschil met de thuissituatie te groot. ‘Goed slapen heeft veel te maken met gewenning. Elk verschil met de situatie thuis maakt ons alerter. Ons gehoorsysteem wordt extra actief om de situatie in te schatten en als patiënten door hun ziekte alleen maar kunnen liggen, gaat het brein nog meer focussen op wat de patiënt hoort.’

Toch denkt ze dat ziekenhuizen met de nodige aanpassingen een heel eind kunnen komen. Op de intensivecareafdeling van het Erasmus MC is de geluidsoverlast in elk geval danig teruggebracht. ‘Uit recente interviews met patiënten kwam naar voren dat ze het te stil vonden. Nu denken we erover nieuwe geluiden te introduceren.’

SLAAPPILLEN HELPEN NIET ECHT

Chronisch slaapgebrek kan leiden tot depressie, hart- en vaatproblemen, gewichtstoename, rimpels, diabetes, een verstoord immuunsysteem en daardoor een grotere bevattelijkheid voor ziekten. Acht slapeloze etmalen en je bent dood.

Zo’n vaart zal het door een paar slechte nachten in een ziekenhuis niet lopen, stelt slaapexpert Rolf Fronczek van het Leids Universitair Medisch Centrum en slaap-waakcentrum SEIN gerust. ‘Dit kan je lichaam echt wel aan, dat herstelt wel weer.’

Slaappillen brengen ons wel onder zeil, maar hebben waarschijnlijk weinig zin. ‘De slaap wordt niet meetbaar beter’, zegt Fronczek. ‘Uit EEG’s blijkt dat de hersengolven bij slaapmedicatie snel blijven, terwijl je bij diepe slaap juist trage golven meet. Vaak blijken mensen zich ’s ochtends ook niet echt uitgeruster te voelen. Het is een kunstmatige slaap.’