De overstromingen in Limburg, de vuurwerkramp in Enschede, de Bijlmerramp: zijn er lessen uit te trekken om beter voorbereid te zijn op volgende catastrofen? Ja – en nee. In elk geval al ondervonden: telefoonnummers zijn belangrijker dan draaiboeken.
Verschenen in De Volkskrant op 7 juni 2024
De dreun was tot in Den Haag te horen. Een vonk moet door toedoen van iets of iemand in het ruim zijn terechtgekomen, juist toen het schip met ruim 17 ton buskruit langs de Leidse Steenschuur voer. Die middag, op 12 januari 1807, overleden 160 Leidenaren en nog eens tweeduizend raakten gewond door het ontplofte schip. Een hele woonwijk werd van de kaart geveegd. ‘Geen wichlaar spelde ons dit in ’t zwartst verschiet van plagen; Geen knellend voorgevoel dat waarschouwt voor de ramp’, dichtte de Nederlandse schrijver Willem Bilderdijk, die zelf zijn huis kwijtraakte.
Niet elke ramp is te voorkomen, dus de toekomst heeft zeker nieuw onheil in petto. Sinds de coronapandemie lijkt dit bewustzijn meer te leven. Er verschenen twee boeken, Rampen! van Lotte Jensen en Als een ramp ons raakt van Berthold Gersons. En een samenwerkingsverband van een aantal universiteiten, onder leiding van veiligheidsexpert Beatrice de Graaf, kreeg onlangs een subsidie van 23 miljoen euro voor rampenonderzoek. De hoofdvraag: wat kunnen we leren van voorbije catastrofes, zoals de Leidse buskruitramp? Het onderzoek moet nog van start gaan, maar dit zijn vijf lessen die we nu al kunnen trekken.
Les 1: Wees nepnieuws vóór
Een vrouw die zich jammerend stort op het geplette lichaam van haar kind, een arm die ‘kookt’ in het gesmolten lood van het dak: Bilderdijk spaarde zijn lezers niet met zijn plastische beschrijvingen van de Leidse catastrofe. Verhalen van ooggetuigen zijn onmisbaar om de buitenwereld een idee te geven van de ernst en omvang van een ramp. Tegelijkertijd kunnen zulke verhalen een eigen leven gaan leiden. Sterk aangedikte, of zelfs verzonnen anekdotes – broodjes aap – krijgen ruim baan als niemand goed overzicht heeft van wat er precies speelt.
Hoe schadelijk zulke verhalen kunnen zijn, ontdekte Arjen Boin van de Universiteit Leiden tijdens zijn onderzoek naar de gebeurtenissen in New Orleans in augustus 2005. De orkaan Katrina veroorzaakte grote schade, dijken braken door en 80 procent van de stad kwam onder water te staan. Op federaal niveau kregen de autoriteiten dat pas laat in de gaten. ‘In een hypermodern informatiecentrum in Washington DC zaten ze met driehonderd man informatie te analyseren’, vertelt Boin, hoogleraar publieke instituties en openbaar bestuur. ‘Uit een eerdere crisis hadden ze geleerd om alle informatie eerst te verifiëren. Pas dan werd het weer doorgezet naar het volgende niveau. Dat kost veel tijd.’
Terwijl de federale autoriteiten een helikopter stuurden om te controleren of een dijk wel echt was doorgebroken, waren de media al druk bezig een beeld te construeren uit elke snipper informatie die binnenkwam. Die informatie was niet altijd accuraat. ‘Iemand spreekt een getroffene, die roept dat het een puinhoop is en dat komt dan in de krant. Een aantal media, waaronder de tv-show Oprah, meldden moordpartijen en babyverkrachting, op CNN meldde een verslaggever dat er op helikopters werd geschoten’, somt Boin op. ‘Dat is gewoon niet gebeurd.’
Door de overtrokken mediaberichtgeving en het uitblijven van overheidsinformatie weigerden hulpverleners op zeker moment de stad nog te betreden zonder begeleiding van het leger – met nog meer vertraging als gevolg.
In plaats van af te wachten tot een grote bulk geverifieerde informatie zich een weg omhoog baant, kunnen overheden beter actief en selectief op zoek gaan naar informatie, zegt Boin. Bijvoorbeeld door contact te zoeken met lokale kerken, zorgorganisaties en andere hulpverlenende instanties. ‘Je moet weten welke soort informatie tijdens een ramp relevant is. De rest komt later wel.’
Les 2: Toon compassie en blijf luisteren
‘Daar staat de vorst op ’t puin, en schaamt zijn oog geen tranen: zijn boezem nokt en beeft. Ach! Dat hy redden mocht!’ Zo dicht Bilderdijk over het bezoek van koning Lodewijk Napoleon Bonaparte aan de ramplocatie in 1807. De compassie van de vorst met zijn onderdanen bezorgde hem de bijnaam ‘Lodewijk de Goede’.
‘De Leidse ramp is een belangrijk scharnierpunt, omdat die ramp voor het eerst echt op nationale schaal beleefd wordt’, vertelt Lotte Jensen, hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen. ‘Bovendien laat Lodewijk Napoleon zich dan voor het eerst als een koning zien, een vader van het volk. Hij stelde zijn paleis ter beschikking voor gewonden en zorgde voor de eerste nationale inzamelingsactie. Lodewijk heeft de toon gezet voor volgende koningen en koninginnen in Nederland.’
De honderden jubelgedichten en vele schilderijen over Lodewijks rol bij de buskruitramp kwamen publicitair gezien goed uit: de koning was aanvankelijk niet zo populair. Maar ook voor de betrokkenen zelf is aandacht voor het leed dat ze ervaren belangrijk. Ter erkenning van dat leed bezocht koningin Beatrix daags na de Bijlmerramp in oktober 1992 de ramplocatie. ‘Het was net een moeder die langskwam om troost te bieden’, zei een betrokkene hierover in een terugblik van de NOS.
Wel is het belangrijk dat het niet blijft bij een kortstondig bezoekje van een monarch. Als de aandacht van de overheid te snel wegebt, slaat de sympathie makkelijk om in woede en wantrouwen, vertelt Berthold Gersons, emeritus hoogleraar psychiatrie bij het Amsterdam UMC. Na het neerstorten van een Boeing 747-vrachtvliegtuig in de Bijlmermeer schakelde de gemeente hem in als adviseur. ‘Aan het begin van de ramp is er altijd enorm veel aandacht. Maar op een gegeven moment ebt die belangstelling weg en krijg je de ‘desillusiefase’.’
Zeker bij de Bijlmerramp was er reden voor teleurstelling. Mensen die plotsklaps hun woning kwijt waren, liepen aan tegen allerlei problemen van praktische, financiële, sociale, psychische en lichamelijke aard. In het woud van overheidsinstanties vonden zij lastig hun weg. ‘De dag na de ramp ging ik naar de Bijlmersporthal’, vertelt Gersons. ‘Dat beeld zal ik nooit vergeten. Iedereen zat op de grond en eromheen stonden allemaal kraampjes, zoals op een markt. Die mensen waren hun huis kwijt en moesten telkens langs een kraampje gaan en opnieuw hun verhaal doen.’
Beter is het om een centraal informatie- en adviescentrum in te richten, waar mensen met al hun vragen en klachten terechtkunnen. Vanuit dat informatiepunt moeten hulpverleners de getroffenen vervolgens meerdere jaren volgen, zodat ze kunnen inspelen op de veranderende problematiek. Zo worstelden Bijlmerbewoners net na de ramp met hun dakloosheid, terwijl ze enige jaren later vaak kampten met PTSS. Toen Gersons acht jaar later opnieuw als expert betrokken werd bij een ramp, de vuurwerkramp in Enschede, paste hij die les meteen toe. Het Informatie- en adviescentrum bleef drie jaar open om slachtoffers bij te staan.
Les 3: Netwerken zijn belangrijker dan protocollen
‘De donder viel en trof’, schrijft Bilderdijk aan het begin van zijn verhaal over de buskruitramp in 1807. Plotseling en totaal onverwacht maakte het gewone, Leidse leven plaats voor ‘wildernis, puin en ondoorzichtbare damp’. Bij rampen nemen chaos en verwarring snel de overhand. Draaiboeken en protocollen blijken plotseling minder bruikbaar dan van tevoren was bedacht. Dat merkte ook Karin van Vuuren van de Erasmus Universiteit tijdens haar onderzoek naar de manier waarop zorginstellingen de Limburgse overstromingsramp beleefden. In de zomer van 2021 viel daar in twee dagen tijd meer regen dan gebruikelijk tijdens de hele zomer. De vertegenwoordigers van waterschappen, veiligheidsregio’s, Rijkswaterstaat en zorginstellingen stonden voortdurend met elkaar in contact om de situatie te bespreken. De onverwacht snelle stijging van het waterpeil liet echter geen ruimte voor de gebruikelijke besluitvormingsprocessen.
‘Er was op zoveel plekken iets aan de hand dat je aan de beleidstafel geen compleet beeld kon creëren’, zegt Van Vuuren. ‘Besluiten die normaal gesproken aan die tafel genomen moesten worden, werden nu eigenlijk door de burgemeesters of mensen ter plaatse al genomen.’
De samenwerking tussen de partijen was hecht, maar verschillen in kennis en betekenisgeving leidden soms tot verwarring. Zo sprak het waterschap over kubieke meters water die per seconde door de Maas stroomden. Voor zorginstellingen aan de Maas waren die cijfers moeilijk te duiden. ‘Leidinggevenden van die zorginstellingen wilden gewoon een streepje hebben aan de rand van de dijk: tot zover komt het. Iedereen kijkt door een andere bril. Dat kan lastig zijn als je snel een besluit moet nemen.’
Sinds de overstromingen hebben de genoemde organisaties in Limburg daarom veel energie gestoken in netwerken. ‘Elkaar goed kennen is heel belangrijk’, zegt Van Vuuren. ‘In een situatie die onvoorspelbaar is, waarbij het protocol niet voldoet, baseer je eigenlijk alles op de informele contacten die je al hebt.’ Rampoefeningen zijn dus vooral zinvol om mensen te leren kennen en telefoonnummers uit te wisselen.
‘Vaak zien mensen op operationeel niveau ter plaatse wat er moet gebeuren. Het is goed als je dan weet: o, ik heb die en die eens gesproken bij een oefening en die kan ons helpen, ik bel even. Je kunt direct handelen. Dat is veel efficiënter dan een vergadering moeten initiëren om een besluit te nemen.’
Flexibiliteit en netwerken zijn ook zaken die Arjen Boin noemt. ‘Naast politieagenten en brandweer zijn er allerlei civiele organisaties, zoals de padvindersclub of kerken. Ze zijn veel meer in de maatschappij verankerd en hebben informatie en appgroepen. De Nederlandse veiligheidsregio’s denken nu meer na over veerkracht: hoe kunnen we de maatschappij bij de crisisbestrijding betrekken?’
Les 4: Wees eerlijk
Niet alle 19de-eeuwse liederen over het Leidse onheil zijn even lovend over de koning. Tussen de regels door valt soms ook subtiele spot te lezen. ‘Ja, hij maakt hier mooie sier als rampenkoning’, verwoordt Jensen de kritiek, ‘maar van een koning moeten we helemaal niks hebben. Die Fransen moeten hier weg.’
De kans op gemor wordt nog groter wanneer de overheid dingen belooft die ze niet kan waarmaken. Na bijna elke ramp is dit aan de orde, ook die in Limburg in 2021. De totale schade door overstromingen, veelal in het Geuldal, bedroeg tussen de 350 en 600 miljoen euro. ‘Door de overheid is al vroeg gezegd dat ze ruimhartig zou compenseren’, vertelt Van Vuuren. ‘Daardoor kregen mensen het gevoel dat ze financieel compleet gecompenseerd zouden worden, maar dat is niet het geval. Voor hun gevoel is er daardoor heel weinig aandacht voor de problemen die ze een paar jaar later nog altijd hebben.’
Na de Bijlmerramp was onduidelijk welke lading het vliegtuigruim bevatte. Zorgen van de Bijlmerbewoners schoof de overheid lang terzijde, terwijl journalisten ontdekten dat het toestel grondstoffen voor het zenuwgas sarin bevatte. De onrust hierover duurde jarenlang voort en leidde uiteindelijk tot een parlementaire enquête. ‘Het haalde het vertrouwen in de overheid enorm onderuit’, zegt Gersons. ‘Een ramp is funest voor het veiligheidsgevoel van mensen. Als autoriteit moet je dat gevoel van veiligheid tot op zekere hoogte proberen te herstellen door eerlijk te zijn in wat je zegt.’
Les 5: Accepteer dat er weer een ramp gaat komen
In het centrum van Leiden, in de kade van de Steenschuur, toont een ingemetselde steen waar het kruitschip ooit dood en verderf zaaide. Lodewijk Napoleon had graag een groter monument gezien, maar uit weerzin tegen de Franse overheersing stak koning Willem I daar een stokje voor. Er zouden nog veel monumenten volgen – van de watersnoodramp, de Bijlmerramp, de vuurwerkramp en ga zo maar door. Ze leren ons onder meer dat we maar beter op onze hoede kunnen zijn: de volgende ramp komt vast ook weer onverwacht. Een zinvolle les, denkt Van Vuuren. ‘Na de watersnoodramp van 1953 was de gedachte rondom overstromingen: dit nooit weer. Als je ervan uitgaat dat iets niet mag gebeuren, bereid je je niet goed voor op de situatie dat het wél gebeurt. Accepteren dat er dingen gaan gebeuren die we niet verwachten, is een grote, belangrijke stap.’